Fasciitis plantaris: het windlass mechanisme en therapeutische mogelijkheden

Hardloopblessures: Achillespees en fascia plantaris

Tijdens onze snijzaalcursus “Hardloopblessures en functionele anatomie” werden de functioneel-anatomische aspecten van enkele bekende hardloopproblemen besproken, waaronder die van de fasciitis plantaris. De diapresentatie van deze lezing vindt u hierboven.
In dit blogartikel wordt kort teruggekomen op het windlass mechanisme, zoals voor het eerst door Hicks beschreven in 1954 (1). Daarna zullen we enkele therapeutische consequenties bespreken.

Het windlass mechanisme
De fascia plantaris verloopt tussen het mediale tuberculum van de calcaneus en de proximale phalanges aan de plantaire zijde van de voet. De fascia bestaat uit collegeen bindweefsel, wat als kenmerk heeft dat het amper verlengt onder fysiologische omstandigheden (maximaal 3-5%).

Verklaring in de tekst

Wanneer er een dorsaalflexie gemaakt wordt in het metatarsophalangeaal gewricht, wordt de fascia over het caput metatarsale gespannen. Doordat de fascia zelf niet verlengt, dient de afstand tussen de calcaneus en het caput metatarsale te verkleinen, wil de spanning in de fascia niet overmatig oplopen. Hiervoor is een plantairflexie van de tarsometatarsale (TMT) gewricht noodzakelijk, oftewel de hoogte van de mediale voetboog neemt toe (zie afbeelding).

Voor het windlass mechanisme maakt het niet uit of er sprake is van een beweging van de proximale phalanx ten opzichte van het Os metatarsale, of dat het Os metatarsale (en dus de gehele voet) beweegt t.o.v. de proximale phalanx. Deze laatste situatie vindt in het dagelijks functioneren het meeste plaats en wel tijdens de afzetfase van het gaan/lopen.

Therapeutische mogelijkheden
Er worden in de literatuur over de fasciitis plantaris vele oorzaken bediscussieerd. Een lezenswaardig artikel hieromtrent is dat van Bolgla en Malone (2). Zonder hier nu dieper op in te gaan, willen we toch enkele suggesties doen ten aanzien van fysiotherapeutische mogelijkheden.

Range of motion van het TMT-gewricht
Zoals ook in het artikel van Bolgla en Malone vermeld staat, is het windlass mechanisme een belangrijke eigenschap van de normale voetfunctie. Bij een dorsaalflexie van het MTP-gewricht, dient de afstand tussen calcaneus en caput metatarsale te verkleinen, wil de spanning in de fascia niet afysiologisch oplopen. Hiervoor is een plantairflexie in de TMT gewrichten noodzakelijk. Het verdient daarmee de aanbeveling tijdens het fysiotherapeutisch onderzoek op z’n minst te beoordelen of er sprake is van een voldoende range of motion in dit gebied. Zo niet, dan zal een eventueel aanwezige bewegingsbeperking opgeheven dienen te worden.

Preventieve maatregel: schoenen strikken
Een bewegingsbeperking in dit gebied kan ontstaan doordat er belemmerende factoren aanwezig zijn op het normaal functioneren van het windlass mechanisme. Eén van deze mogelijke factoren, zou het te strak strikken van de schoenen kunnen zijn.

Velen van u zullen vroeger geleerd hebben de schoenen stevig te strikken, met de voet plat op de grond geplaatst. Om het windlass mechanisme te laten plaatsvinden, dient echter de mediale booghoogte te veranderen. De hoogste positie vindt plaats op het moment van afzetten. Wanneer de schoenen echter strak gestrikt zijn, in een positie waarin de booghoogte niet maximaal is, dan zou dit belemmerend kunnen werken op de noodzakelijke vervormingen in het TMT gebied. Een vrij recent onderzoek van Hagen en Hennig geeft sterke aanwijzingen dat stevig strikken van de schoenen consequenties heeft voor de kinetica en kinematica van de voetfunctie (3).

Advies: strik uw schoenen met uw voet in de afzetstand. Dit filmpje laat dit alles nog eens kort en bondig zien.

Literatuur

  1. Hicks, J. H. (1954). The mechanics of the foot. II. The plantar aponeurosis and the arch. Journal of anatomy, 88(1), 25–30
  2. Bolgla, L. A., & Malone, T. R. (2004). Plantar fasciitis and the windlass mechanism: a biomechanical link to clinical practice Journal of athletic training, 39(1), 77–82
  3. Hagen, M. & Hennig, E.M. (2009). Effects of different shoe-lacing patterns on the biomechanics of running shoes. Journal of Sports Science, Feb 1, 27(3), 267-75

5 thoughts on “Fasciitis plantaris: het windlass mechanisme en therapeutische mogelijkheden

  1. Beste Rob,

    Wist je dat ook de voetstand/afwikkeling een belangrijke rol speelt bij het “goed” functioneren van het windlass mechanisme? Een valgusstand en/of overpronatie zorgt voor een verminderde werking van de m. peroneus longus, de plantaiflecterende momentkracht op de 1e straal wordt hierdoor verminderd. Bij forse standsafwijkingen kan dit zelfs resulteren in een dorsaalflecterend moment.
    Dus naast het beoordelen/verbetern van de mobiliteit TMT en het advies voor het strikken van de veters zou ik in deze zeker het advies willen geven om oom de voetstand en het looppatroon mee te nemen. Zeker bij de sporter waar de belasting zich meer naar de voorvoet verplaatst.

    Ingrid Janssen, sportpodotherapeut

  2. Beste Ingrid,

    Hartelijk dank voor je reactie. Goed dat inhoudsdeskundigen mee denken en discussiëren.

    Allereerst wil ik duidelijk stellen dat ik geenszins pretendeer volledig te zijn in mijn blogartikel (daarvoor is het ook “slechts” een blogpost). Er zullen zeker meerdere factoren bijdragen aan het verminderd functioneren van het windlass mechanisme. Ook de oorzaken van het ontstaan van de fasciitis plantaris (FP) zullen divers zijn.
    Het genoemde artikel van Bolgla is één van de weinige, relatief recente reviews op het gebied van de FP. Hierin komt duidelijk naar voren dat zowel mensen die overproneren als mensen die dit niet doen, kans hebben op FP. Ook op het gebied van de statische voetvorm blijkt de FP niet louter voorbehouden aan mensen met een lage óf hoge voetboog. (zie ook dia 11 in de presentatie)
    Bij analyse van het looppatroon bij mensen mét FP (of eigenlijk bij willekeurig welke voetklacht) dient men zich te allen tijde af te vragen of men kijkt naar een afwijkend patroon dat de oorzaak vormt voor het ontstaan van FP, of dat er sprake is van een compensatoir patroon, dus een gevolg van het functieprobleem/de pijn. Overigens blijkt uit een recent onderzoek van Ribeiro e.a. (2010) dat er geen verschillen bestaan in de ‘plantar pressure distribution’ tussen gezonde proefpersonen en personen met FP.

    Je inhoudelijke reactie roept bij mij wel wat onduidelijkheden op en wellicht kun je de volgende vragen nog even voor me toelichten?
    1. Je schrijft m.b.t. de m. peroneus longus in relatie tot een overpronatie “Bij forse standsafwijkingen kan dit zelfs resulteren in een dorsaalflecterend moment”. Kun je aangeven over welk(e) gewricht(en) er sprake is van een omkerend moment? Ik ben benieuwd hoe dit, gezien het anatomisch verloop van de peroneus t.o.v. de bewegingsassen mogelijk is. Voor het bovenste spronggewricht zou dan gelden dat de peroneus een verloop krijgt ventraal van de as, oftewel voorlangs de laterale malleolus.
    2. Wat is het biomechanisch model achter de relatie tussen een verminderde plantairflexie kracht/moment (welke van de 2 bedoel je precies?) en de toegenomen pronatie/eversiestand?
    3. Kun je me publicaties verschaffen over het door jou geschetste ontstaansmodel? Altijd welkom!

    Ik ben benieuwd naar je reactie en nogmaals dank!

    Met vriendelijke groet,

    Rob Donkers

  3. Pingback: Achillespees: tendinopathie en torsie | Axcen Scholing & Onderzoek

  4. Pingback: GEZOCHT: mensen met hielspoor | FYSIO 2.0

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s