Het M. Piriformis syndroom

De anatoom met wie wij in Nijmegen een snijzaalcursus organiseren is er duidelijk over: “Het piriformissyndroom bestaat helemaal niet!” Hij draagt voor zijn stelling anatomische argumenten aan.

In de recente literatuur wordt – onder andere door Smoll (1) – een keurig overzicht gegeven van de anatomie van het piriformissyndroom. Het komt er op neer dat de n. ischiadicus onderlangs en bovenlangs de m. piriformis kan lopen, en ook er dwars doorheen. Als je deze mogelijkheden combineert met het feit dat de zenuw één geheel vormt (n. ischiadicus) of zich verdeelt in twee delen (n. tibialis en n. peronaeus communis), dan kom je uit op de zes varianten (A – F) die worden beschreven. Variant ‘A’ komt bij de meerderheid voor en wordt ‘normaal’ genoemd: de n. ischiadicus loopt daarbij als één geheel onder de m. piriformis door. Het eerste preparaat dat wij bestuderen houdt zich aan de ‘normale anatomie’, want we treffen de situatie aan zoals in de anatomische atlas getekend is. Bij één preparaat bestaat echter wel degelijk een variant: we zien de n. ischiadicus dwars door de m. piriformis heenlopen en stellen een type ‘D’ vast. We doen ons best en inspecteren het preparaat  grondig, maar aan de structuur van de zenuw is verder niets afwijkends te zien. We vinden geen aanwijzingen voor bewegingsproblemen, maar natuurlijk is het zo dat wij de medische status van het preparaat niet kennen.

Dan terug naar de literatuur: Smoll vermeldt in zijn review dat in de hele groep van zesduizend anatomische preparaten een anomalie (B – F) voorkomt bij bijna 17 % (‘pooled data’). De getallen verschillen wel als je meerdere onderzoeken vergelijkt, maar de percentages van afwijkingen liggen in de meeste gevallen tussen 10 en 24 %. Dat is blijkbaar het percentage van de ‘normale afwijking’. Wat opvalt is dat het percentage van ‘afwijkingen’ 16,2 % is in de groep van mensen met de diagnose ‘piriformissyndroom’ (die daarvoor chirurgisch worden behandeld). Het verschil tussen deze percentages wordt ‘niet significant’ genoemd. Ook door Smoll wordt daarom hardop getwijfeld aan het belang van een ‘anomalie’ voor het optreden van klachten.

(1) Smoll NR.
Variations of the Piriformis and Sciatic Nerve With Clinical Consequence: A Review.
Clinical Anatomy 23 (2010); 8 – 17.

About these ads
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized door Axcen . Bookmark de permalink .

Over Axcen

Axcen Scholing & Onderzoek organiseert nascholingscursussen voor fysiotherapeuten en manueeltherapeuten. Centraal in deze cursussen staat het verwerven van nieuwe en praktisch toepasbare kennis op het gebied van functionele anatomie van het menselijke bewegingsapparaat.

5 gedachtes over “Het M. Piriformis syndroom

  1. Even een test m.b.t. de app en het reageren op een blog.

    Is het mogelijk om klinisch te differentiëren of de n. Ischiadicus boven, onder of door de m. Piriformis loopt?

  2. Beste Danny,

    De app werkt klaarblijkelijk. Dank voor je vraag.

    Auteur van dit blogartikel, Huco Leopold, geeft op je vraag het volgende antwoord:
    Er zijn mij geen klinische testen bekend waaruit kan worden opgemaakt welk verloop de n. ischiadicus heeft langs (of door) de m. piriformis.
    Met echografie lijkt het mij in theorie mogelijk, maar ik moet bij collega’s met echo-ervaring even navragen wat er mogelijk is. De overliggende gluteaalmusculatuur maakt een relevant echobeeld misschien onmogelijk.

  3. Beste Danny,

    Op PubMed heb ik nog even gezocht of het mogelijk is om met echografie een beeld te krijgen van de relatie tussen n. ischiadicus en m. piriformis.

    Ik heb geen studies gevonden waarin echografie wordt gebruikt om vast te stellen op welke manier de zenuw de spier passeert.
    Wel vond ik een mooie echo-afbeelding van de m. piriformis en de n. ischiadicus – diep onder de m. glutaeus.
    (Huerto APS, e.a. Piriformis Muscle Injection Using Ultrasonography and Motor Stimulation. Pain Physician 10 (2007); 5; 687-690. Het artikel is te downloaden via http://www.painphysicianjournal.com).

    De m. piriformis en n. ischiadicus zijn hierop te onderscheiden, maar ik twijfel of het verloop van de zenuw echt in relatie met de spier kan worden gebracht. Dit artikel doet daarover in ieder geval geen uitspraak. De collega’s bij wie ik geïnformeerd heb naar hun echo-ervaringen op dit gebied waren alle niet enthousiast of hadden er geen ervaring mee.
    Zijn er meer collega’s met echo-ideeën?

    Huco Leopold

  4. ik denk er net zo over. we moeten of van het denken dat als het ergens pijn doet we dan steeds de oorzaak bij een structuur leggen die daar toevallig loopt.Waarom de piriformis en niet de quadratus femoris die daar ook vlak bij loopt. Als ik de anatomische variaties zie op de snijzalen en ook bij mijn echografische onderzoeken dan is het denken in afwijkingen van de standaard niet vol te houden. ruud lindenburg

  5. Huco, als praktisch echografist en docent echografie bij fysus stel ik dat het wel mogelijk is bij geschikte personen(weinig vet-spierweefsel op de billen) om de n.isciadicus soms in beeld te brengen samen met een stukje van de piriformis. Schade aan de piriformis kan ik niet hard maken. Afwijkingen in de vorm en grootte van de nervus zijn wel te vinden als die er zijn,maar heel harde uitspraken kun je niet doen omdat er zeer veel variatie is in vorm en in plaats van splitsing. Bij een persoon met enig vet-of spierweefsel liggen beide structuren te diep om te onderscheiden, laat staan om er een gerichte en valide uitspraak over te doen. ruud lindenburg

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s